Twee belangrijke misverstanden over de huizen- en hypotheekmarkt

16 jun

Er bestaan veel misverstanden over de markt voor huizen en hypotheken, waardoor consumenten daarin niet altijd de beste keuze maken. Het FD zet een aantal misverstanden op een rij, waarmee consumenten eenvoudig hun voordeel kunnen doen. Rentemiddeling of oversluiten zijn bijvoorbeeld niet altijd een goede keuze en de hypotheekrenteaftrek kan in de praktijk behoorlijk tegenvallen.

 

Rentemiddeling of oversluiten is niet altijd goedkoper

Rentemiddeling en oversluiten zijn ineens populaire begrippen bij huizenbezitters. Zij betalen een (soms hoge) boeterente om nu alvast van de lagere rente te kunnen profiteren. Dat lijkt een goede keuze. Toch betalen zij de extra rente voor de komende jaren simpelweg in één keer, door middel van de boeterente. Dat maakt het oversluiten of rentemiddeling alleen interessant indien er binnen de nieuwe rentevaste periode sprake zal zijn van een rentestijging. Dit had dan immers een hogere rente opgeleverd indien huizenbezitters dan nieuwe onderhandelingen hadden moeten starten. Rentemiddeling en oversluiten bieden mogelijkheden tot speculeren op een hogere hypotheekrente. Zolang de rente niet stijgt is er netto geen sprake van voordeel.

 

De fiscus betaalt de helft van de kosten

Met name de huishoudens met hogere inkomens profiteren flink van de hypotheekrenteaftrek. Tenminste, dat is bij veel mensen de perceptie. Voorheen was het mogelijk om 52% van de betaalde hypotheekrente af te trekken van de belasting. De overheid bouwt dat percentage al jaren af, er is momenteel nog 50,5% aftrek beschikbaar. Als het gevolg van 0,75% van de WOZ-waarde die bij het inkomen moet worden opgeteld blijft er in de praktijk echter veel minder over. Een woning van €300.000 bij 2% rente per jaar levert €500 per maand aan betaalde rente op. Daar komt slechts €150 van terug via de fiscus, waardoor de netto hypotheekrenteaftrek minder dan een derde bedraagt.